|
Boven het grote venster in de transeptgevel is een beeldengalerij gebouwd, met daarin zes grote beelden. De top van het grote venster doorsnijdt de galerij, zodat de beelden van west naar oost eerst verkleinen, van standbeeld tot borstbeeld, om daarna weer te vergroten. Deze merkwaardige vormgeving kent nauwelijks vergelijkingen en zeker niet op deze schaal. Op oude foto’s is goed zichtbaar dat deze beelden vrij compleet bewaard waren en ook de schetsen van de gebroeders Donkers uit 1855 bevestigen dit, gezien de details die zij weergeven. De beelden stonden in tufstenen nissen, van elkaar gescheiden door sierlijk vormgegeven pilasters en overspannen door van driepastoten voorziene korfbogen. De beelden aan de oostzijde van het venster zijn eenvoudig te herkennen als de Drie Wijzen of de drie Koningen. De beelden aan de oostzijde geven echter gelegenheid tot meerdere interpretaties. Wellicht waren deze minder goed behouden dan die aan de oostkant van het venster en waren de alles duidelijk makende attributen van afstand niet meer herkenbaar. Historicus Jan Hezenmans duidt de drie beelden in 1866 als 'de Aartvaders'.51 Deze opvatting werd blijkbaar niet gedeeld door Pierre Cuypers, die over de beelden in een verslag van 19 december 1891 aan de Minister van Binnenlandsche Zaken van de Inspectie der Restauratiewerken het volgende schrijft:
'Zelfs zijn er in de boognissen eenige beelden behouden gebleven, die voor de herstelling van het grootste belang zijn. Dit zijn, aan de Zuidwestzijde, boven den boog van het groote vensterraam, 3 profeten, waarvan de eerste Noach voorstelt zooals duidelijk blijkt uit de ark, die hij op de hand draagt. De 2de profeet, die ook een spreukband draagt, is minder duidelijk met name aan te wijzen, wellicht Abraham, terwijl de 3de, blijkens de schijf met de ster, duidende op de profetie, de sterre Jacobs (Moyses Cap. iv, 24-27) voorstelt. Aan de Zuidoostzijde zijn de 3 Koningen of de 3 Wijzen, die de Offerande aan den Heiland aanbieden, in zeer karakteristieken vorm uitgedrukt'.52
Mosmans gaat voorbij aan de beschrijving van Cuypers, compleet met de Ark van Noach, als hij aanhakend op Hezenmans de beeldengalerij beschrijft,
'waarin links de aartsvaders Abraham, Isac en Jacob zijn opgesteld, wier verlangens naar den beloofden Messias uitgingen, rechts de drie Koningen, Caspar, Melchior en Balthasar, eene plaats vonden, wier aanbidding op den verschenen Verlosser gericht is'.53
| 33 |
| Noten | |
| 51. | Hezenmans 1866, 117. |
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 33-34
|
Boven het grote venster in de transeptgevel is een beeldengalerij gebouwd, met daarin zes grote beelden. De top van het grote venster doorsnijdt de galerij, zodat de beelden van west naar oost eerst verkleinen, van standbeeld tot borstbeeld, om daarna weer te vergroten. Deze merkwaardige vormgeving kent nauwelijks vergelijkingen en zeker niet op deze schaal. Op foto’s is goed zichtbaar dat deze beelden vrij compleet bewaard waren en ook de schetsen van de gebroeders Donkers uit 1855 bevestigen dit, gezien de details die zij weergeven. De beelden stonden in tufstenen nissen, van elkaar gescheiden door sierlijk vormgegeven muurdammen en overspannen door van driepastoten voorziene korfbogen. De beelden aan de oostzijde van het venster zijn eenvoudig te herkennen als de Drie Wijzen of de Drie Koningen. De beelden aan de westzijde geven echter gelegenheid tot meerdere interpretaties. Wellicht waren deze minder goed behouden dan die aan de oostkant van het venster en waren de alles duidelijk makende attributen van afstand niet meer herkenbaar. Historicus Jan Hezenmans duidt de drie beelden in 1866 als “de Aartvaders”.58 Deze opvatting werd blijkbaar niet gedeeld door Pierre Cuypers, die over de beelden in een verslag van de Inspectie der Restauratiewerken van 19 december 1891 aan de Minister van Binnenlandsche Zaken het volgende schrijft: “Zelfs zijn er in de boognissen eenige beelden behouden gebleven, die voor de herstelling van het grootste belang zijn. Dit zijn, aan de Zuidwestzijde, boven den boog van het groote vensterraam, 3 profeten, waarvan de eerste Noach voorstelt zooals duidelijk blijkt uit de ark, die hij op de hand draagt. De 2de profeet, die ook een spreukband draagt, is minder duidelijk met name aan te wijzen, wellicht Abraham, terwijl de 3de, blijkens de schijf met de ster, duidende op de profetie, de sterre Jacobs (Moyses Cap. iv, 24-27) voorstelt. Aan de Zuidoostzijde zijn de 3 Koningen of de 3 Wijzen, die de Offerande aan den Heiland aanbieden, in zeer karakteristieken vorm uitgedrukt”.59 Mosmans gaat voorbij aan deze beschrijving van Cuypers, compleet met de Ark van Noach, als hij aanhakend op Hezenmans de beeldengalerij beschrijft, “waarin links de aartsvaders Abraham, Isac en Jacob zijn opgesteld, wier verlangens naar den beloofden Messias uitgingen, rechts de drie Koningen, Caspar, Melchior en Balthasar, eene plaats vonden, wier aanbidding op den verschenen Verlosser gericht is”.60 De bedoelde ark is in elk geval in het nieuw gemaakte beeld, dat als Noach vormgegeven is, teruggekomen. Het lijkt er sterk op dat de nieuwe beelden zeer nauwkeurig de oude bewaarde resten volgen. Deze originelen zijn helaas niet bewaard gebleven, ondanks het verzoek dat Cuypers deed om deze naar het Rijksmuseum te brengen. Dat blijkt uit de volgende passage uit het verslag van Cuypers uit 1891: “Boven den boog van het groot venster is het voetstuk nog aanwezig, waarop het zittend beeld van Maria met het Kind het middenpunt vormt dezer opdracht. Het toppunt van den gevel is versierd met het levensgroot beeld van den Heiland. Dit beeld is nog in een tamelijk goeden toestand, zoodat het wellicht ter plaatse kan behouden blijven. De overige beelden zijn zeer verweerd maar kunnen voor model volkomen dienen. Ik heb daarom aangeraden om de losse stukken voorzichtig met gips vast te zetten alvorens de beelden uit de nissen te nemen en nadat de ontbrekende stukken zorgvuldig zullen zijn | 269 |
|
bijgewerkt (eerst met klei en dan met gips) naar deze de nieuwe beelden te copieeren en de origineele voor onze verzameling aan het Rijksmuseum af te staan”.61 Peeters meent dat de zes beelden uit de galerij ook daadwerkelijk naar Amsterdam zijn vervoerd en later ook weer zijn teruggekomen. Maar over het lot van deze beelden is noch in het depot van de bouwloods, noch in het kerkarchief iets terug te vinden. Ook zijn er geen opnameschetsen, ontwerpschetsen of ontwerpmodellen uit de restauratieperiode bekend. Omdat duidelijk is dat de vijftiende-eeuwse restanten wel zijn gekopieerd en aangevuld, maar verdere documentatie ontbreekt, zullen hier de huidige beelden worden beschreven. AartsvadersHet kalkstenen beeld van Noach (M1) uit de periode van de eerste restauratie is waarschijnlijk een getrouwe kopie van het originele tufstenen beeld dat niet bewaard is gebleven. De bebaarde figuur draagt een hoge muts (tulband?) en een ruime mantel. Hij houdt in de linker hand een model van een ark omhoog, met daarin twee vogels, en heeft met de andere hand een tekstband vast. | 270 |
Mogelijk zou hier Abraham bedoeld zijn, maar dan had de figuur als enig mogelijk attribuut een groot mes of zwaard in de handen gehad. In dat geval is de ark die nu is uitgebeeld het resultaat van een verkeerde interpretatie van de restauratoren. Het hiernaast staande beeld van Abraham (M2) is vermoedelijk een kopie van het originele, niet bewaarde beeld van tufsteen. Het stelt een man met tulband voor, met klein baardje en lange krullende haren. De figuur houdt de ene hand voor de borst en maakt met de andere een zegenend gebaar. Daar Abraham doorgaans met een lange baard werd uitgebeeld, is het de vraag of deze figuur hier wordt bedoeld. Mogelijk was hier oorspronkelijk Izaak uitgebeeld. Het borstbeeld van Jacob (de rest van de figuur ‘verdwijnt’ achter de ronding van het grote venster) is vervaardigd uit kalksteen gedurende de eerste restauratie en volgt vermoedelijk getrouw het originele tufstenen beeld op deze plaats, dat niet is bewaard (M3). De bebaarde figuur draagt een capuchon en houdt links een banderol omhoog en rechts een onbekend voorwerp dat er uitziet als een rol op een stok. Mogelijk is hiermee een Thora bedoeld. Volgens Pierre Cuypers droeg het originele beeld een schijf met ster en was het daarom als aartsvader Jacob te identificeren.62 Aan het huidige beeld is echter geen ster te bekennen en de toeschrijving is dan ook onzeker. Abraham, Izaak en Jacob worden meestal in één adem genoemd als de aartsvaders. Jacob kreeg een visioen van engelen die een ladder op en af gaan, reikend tot in de hemel. God verscheen eveneens om zijn belofte, gedaan aan Abraham en Izaak, te herhalen betreffende een tal- en roemrijk nageslacht. Het voorwerp dat het beeld vasthoudt kan ook niet duidelijk met deze gebeurtenissen gekoppeld worden.Drie koningenOok het borstbeeld van Caspar (M4) is waarschijnlijk een vrij precieze kopie van het niet-bewaarde originele tufstenen beeld. Het stelt het bovendeel voor van een bebaarde figuur die in de linkerhand zijn kroon afneemt en de rechter hand een wierookvat vasthoudt. Zonder twijfel is hier één van de drie koningen, Caspar, uitgebeeld. Het beeld van Balthazar ernaast (M5) lijkt eveneens een vrij getrouwe kopie van het originele tufstenen beeld op deze plaats, dat niet is bewaard. Het stelt een bebaarde man voor met een wijde mantel en een kroon over een tulband op het hoofd. Met de linker hand wijst hij naar zijn borst, met de rechter houdt hij een (gouden) bokaal omhoog. Er is niet veel twijfel over de toeschrijving als koning Balthazar. Het zesde beeld in de reeks, de figuur Melchior ten voeten uit (M6), is vervaardigd uit kalksteen gedurende de eerste restauratie. Het originele tufstenen beeld is op diverse foto’s van voor de restauratie in grote lijnen te herkennen en hieruit kan worden opgemaakt dat het huidige beeld een kopie is. De baardloze, gekroonde figuur houdt een bokaal (met mirre) omhoog en verbeeldt ongetwijfeld de zwarte koning Melchior.Profeten en leeuwenAan de westzijde van de transeptgevel is tegen de traptoren een mansgroot beeld van een bebaarde man, krullend haar, met een tekstband in de hand geplaatst (M7). Mogelijk stelt het beeld een profeet of een evangelist voor. Het beeld is bij de eerste restauratie geheel nieuw bedacht want op oude foto’s en tekeningen is duidelijk zichtbaar dat er voorafgaand aan de restauratie geen beeld | 271 |
|
(meer) aanwezig was op de nog wel bestaande kraagsteen. Deze grote kraagsteen, ook op een schets van de gebroeders Donkers (circa 1854) getekend en op diverse foto’s zichtbaar, stelt twee in elkaar gestrengelde, vechtende of spelende leeuwinnen voor.63 Het zou er op kunnen wijzen dat de huidige kraagsteen gebaseerd is op een niet-bewaard gebleven vijftiende-eeuws origineel, maar zeker is dit niet. Wat hier wel voor pleit, is een vroege tekening van de kraagsteen uit de periode 1886-1900 van de hand van Lambert Hezenmans.64 Het is mogelijk dat dit een tekening is van de oude kraagsteen, maar het kan ook een ontwerptekening zijn. De tekening wijkt af van het kleimodel op halve grootte dat ten behoeve van het hakken van de huidige kraagsteen is gemaakt en dat in de bouwloods wordt bewaard.65 Op dezelfde plaats, maar dan tegen de oostgevel van het transept, is eveneens een mansgroot beeld op een kraagsteen (M8) geplaatst. Het stelt een baardeloze jonge man voor, een tekstrol omhoog houdend. Mogelijk is een profeet of een evangelist uitgebeeld. Het beeld is een product van de eerste restauratie, want er was voorafgaand aan deze restauratie geen beeld aanwezig. Onder het beeld M8 bevindt zich een grote kraagsteen die twee vechtende leeuwen voorstelt. De beeltenis is sterk verwant aan de kraagsteen onder M7, die precies aan de andere zijde aan de westkant van het transept is aangebracht. Op de zeventiende-eeuwse tekening van Van Beerstraten (circa 1667) is duidelijk te zien dat er op deze plek | 272 |
|
nog een kraagsteen aanwezig is. Ook op een tekening van Jelgershuis (1827) is de kraagsteen nog weergegeven. Dit doet vermoeden dat de huidige kraagsteen is gebaseerd op oude resten, maar deze zijn niet bewaard gebleven. Er is wel een tekening van Lambert Hezenmans van de kraagsteen, vervaardigd tussen 1886 en 1900.66 Onduidelijk is of de tekening een weergave is van de oude kraagsteen, of een ontwerp voor de nieuwe.67 De vormgeving van beide kraagstenen is waar het details betreft als de poten, manen, staarten en geklauwde tenen, sterk verwant aan de stijl van de monsters en honden in het zuidportaal en in het interieur van het zuidtransept. Mogelijk hebben we te maken met dezelfde beeldhouwer of atelier, maar zonder de authentieke sculptuur is dit niet te staven. Op de zuidoostelijke hoek van de transeptgevel, tussen de haakse steunberen, bevinden zich op lichtbeukhoogte vier profetenbeelden. Boven een enkel beeld (M9) staan drie kleinere (M10, M11, M12). Op de tekening van Van Beerstraten (circa 1667) zijn alle vier de beelden nog goed herkenbaar. De schetsen van de gebroeders Donkers (1854) laten zien dat de beelden verder vervallen zijn.68 Het onderste beeld (M9), op een vroeg negentiendeeeuwse schets nog intact, is er in 1854 nog maar voor de onderste helft. Van de bovenste drie is het westelijke beeld geheel verdwenen; er is nog slechts een fragment van een kraagsteen getekend. Het middelste beeld is in 1854 eveneens nog maar voor de onderste helft aanwezig. Het oostelijke beeld van de drie is nog intact en dit is dan ook na de restauratie bewaard gebleven. De kopie ervan is evenwel na de eerste restauratie op de middelste kraagsteen teruggeplaatst. Op een grote kraagsteen met bladmotieven staat een bijna mansgroot beeld (M9) dat een profeet met tulband en banderol voorstelt. Het beeld is mogelijk deels gebaseerd op het onderste deel van het originele beeld op deze plek, dat volgens de tekeningen van de gebroeders Donkers bewaard was gebleven. Op twee niet nader gedateerde schetsen van het transept uit het begin van de negentiende eeuw is het beeld nog geheel intact weergegeven.69 Boven het grote profetenbeeld is de linker van de drie kleinere beelden eveneens als profeet, in een lang gewaad met mantel en een hoed over een tulband weergegeven (M10). Voor het lichaam houdt de | 273 |
|
figuur in beide handen een banderol vast. Het beeld is aan het einde van de negentiende eeuw geheel nieuw bedacht want hiervoor was er geen beeld meer aanwezig, alleen een restant van een kraagsteen.70 Het beeld hiernaast stelt een gedrongen profeet voor in een lang gewaad, overmantel met rijk bewerkte kraag en een tulband (M11). In de handen houdt de figuur een naar beneden hangende tekstrol vast. Het beeld is een nauwkeurige kopie van het originele beeld van Ledesteen dat voor het kopiëren ten tijde van de eerste restauratie werd aangevuld met gips.71 Het oude beeld verbleef enige tijd in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar keerde in de jaren dertig van de twintigste eeuw terug naar het ‘Centraal Museum’ en later naar de bouwloods.72 In een verslag van Pierre Cuypers van 12 december 1904 wordt vermeld, dat voor verzending naar het Rijksmuseum in aanmerking komen “een profeet met banderol en een krijgsman die als bekroning van de pijler aan de zuidzijde dienst deed”.73 Waarschijnlijk gaat het in dit geval onder meer over het onderhavige beeld. Jan Mosmans meende dat het beeld afkomstig was uit de galerij boven langs het venster in de zuidgevel, maar dit is door Peeters al weerlegd.74 Zonder twijfel stond het beeld oorspronkelijk op de plek ernaast (M12), maar werd het bij de eerste restauratie met dat beeld verwisseld. Deze profeet, met een lang gewaad en mantel, fraai bewerkte hoed over een tulband, en in de handen een naar beneden hangende banderol, werd vermoedelijk geheel nieuw bedacht.75 | 274 |
| Noten | |
| 58. | Hezenmans 1866, 117. |
| 59. | Peeters 1985 A, 256. |
| 60. | Mosmans 1931, 275. |
| 61. | Peeters 1985 A, 256. |
| 62. | Peeters 1985 A, 256. |
| 63. | Schetsboek gebroeders Donkers (1853-1855), kerkarchief Sint-Jan. |
| 64. | MRK Uden, inv.nr. 2770D. Rackham 2003, 50-57, afb. 31. |
| 65. | Bouwloods, i-333. Koldeweij 1989, 40-41. |
| 66. | MRK Uden, inv.nr. 2770C. Rackham 2003, 50-57, afb. 30. |
| 67. | Een kleimodel van de kraagsteen op halve grootte wordt in de bouwloods bewaard. Bouwloods, i-165. Koldeweij 1989, 40-41. |
| 68. | Schetsboek gebroeders Donkers (1853-1855), kerkarchief Sint-Jan. |
| 69. | Kopieën van de schetsen, door een onbekende kunstenaar, bevinden zich in het kerkarchief. |
| 70. | In de bouwloods wordt een 45 cm hoog ontwerpmodel van het beeld bewaard. Bouwloods gipsdepot, i-475. |
| 71. | Bouwloods, i-720. De aanvullingen in gips zijn deels weer verwijderd. |
| 72. | Koldeweij 1989, 60-62. |
| 73. | Peeters 1985 A, 256. |
| 74. | Mosmans 1931, 275, afb. 180. |
| 75. | In de bouwloods wordt een 40 cm hoog gipsmodel van beeld M12 bewaard. Het voetstuk hiervan ontbreekt. Bouwloods gipsdepot, i-160. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 269-274
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 269-274
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 33-44
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 273 (afb. 177)